© Copyright Uilenwerkgroep Vlaams-Brabant, p./a. Philippe Smets, Slachthuisstraat 81, 3300 Tienen |
||||
|
||||
|
De resultatenDe Steenuil legt meestal 2 à 5 eieren, uitzonderlijk 6. Het nestgemiddelde schommelt tussen de 3 en 4 eieren. We merken dat de eieren goed uitkomen.Zo stelden we in 2003 vast dat er uit 208 eieren 173 jonge uilen geboren werden. Dat er op 66 broedgevallen er in 35 nestkasten 1 ei niet uitkomt, is vrij normaal. Volgens Exo & Hennes (1980) moeten gemiddeld 2,35 jongen per broedsel uitvliegen om de soort in stand te houden. Dit cijfer haalden we voor het eerst in 1999 en opnieuw in 2000. Maar niet elk jaar is even succesvol. De cijfers spreken voor zich. Zeer goede jaren: 1999 met 2,9 en 2000 met 2,8 jongen per nest. Goede jaren: 1995 met 2,1 - 1998 met 2,2 - 2001 met 1,9 - 2002 met 2,0 en 2003 met 1,9 uitgevlogen jongen per nest. Slechte jaren: 1994, 1996 en 1997 met slechts 1,6 - 1,4 en 1,2 uitgevlogen jongen per nest. We kenden de grootste terugval in 1997: van de 43 jongen stierven er 28 ; dit is 65 %. In 2000 was de terugval het kleinst: van de 99 jongen die we vaststelden, stierven er maar 21 (21 %). De oorzaak van de grote sterfte van de jongen ligt in de weersomstandigheden tijdens de opgroei van de jongen. Als we tijdens het opgroeien van de jongen, periode half mei - eind juni, goed weer hebben, zoals in 1999 en 2000, is er geen probleem. Maar als de temperaturen laag zijn en het veel regent, zoals in '94 - '96 en '97 is er een enorme sterfte onder de jongen. De normale prooien zijn muizen, vogels (tijdens de broedperiode vooral mussen, spreeuwen en merels die geroofd worden op het nest of pas uitgevlogen zijn), regenwormen, meikevers, mestkevers, nachtvlinders, rupsen, emelten en soms een kikker. Bij aanhoudende regen en te lage temperaturen voor de tijd van het jaar zijn de muizen niet zo actief, insecten kan hij dan moeilijk vinden en er resten alleen nog jonge vogels en regenwormen. De jongen krijgen 'te' veel regenwormen. Uit onderzoek is gebleken dat regenwormen verzameld op een verontreinigde bodem, cadmium hebben opgenomen via hun voedsel en dit hebben opgestapeld in hun lichaam, maar niet verwerken of afbreken (Groen, Boudewijn, van Harxen en Stroeken 1999). De jongen krijgen hoge concentraties cadmium te verwerken, als gevolg daarvan krijgen ze diaree en sterven. Eens een paartje zich geïnstalleerd heeft in een nestkast blijven ze mekaar en de plaats trouw, het zijn echte standvogels, er zijn natuurlijk enkele uitzonderingen. De gemiddelde leeftijd is moeilijk te berekenen, maar een koppeltje houdt het meestal een 6 of 7 jaar vol. De oudste gekende vogel tot nu toe is een vrouwtje van 10 jaar. Nadat de jongen zelfstandig zijn geworden, vestigen ze zich in de omgeving maar buiten het territorium van de ouders. |
![]() |
BesluitNa 12 jaar onderzoek kunnen we met zekerheid zeggen dat de weersomstandigheden tijdens de opgroei bepalend zijn voor het broedsucces. |
Een woord van dank- aan alle eigenaars van de hoogstamboomgaarden waar een nestkast staat voor hun gastvrijheid ;- aan Ronny Huybrechts, Peter Collaerts en Stany Cerulis voor de assistentie bij het ringwerk en de verwerking van de gegevens ; - aan het F.I.R. (Fonds instandhouding Roofvogels) en Vogelwerkgroep Oost-Brabant voor hun financiële steun. |
Contactpersonen :- Smets Philippe, Slachthuisstraat 81, 3300 Tienen 016.82.03.53- Huybrechts Ronny, Donkelstraat 16, 3350 Neerlinter 011.78.30.47 - Cerulis Stany, Leeuwkensstraat 20a, 3461 Molenbeek-Wersbeek 016.77.71.37 |
Referenties- Exo K-M & Hennes R. 1978. Empfehlungen zur Methodik von Siedlungsdichte-Untersuchingen am Steinkauz ; Vogelwelt 1999.- Niko Groen, Theo Boudewijn, Ronald van Harxen en Pascal Stroeken. Enkele voorlopige resultaten van het ecotoxicologisch onderzoek van de Steenuil in de Gelderse Poort en de Achterhoek in 1999. - Nieuwsbrief SteenuilenOverleg Nederland, Aflevering 3 - december 1999. |
|


